Inleiding | De oprichting van Alliantie

De oprichting van Alliantie was onvermijdelijk! Onze gedegen analyse van de staat van het land en de dynamiek van deze tijd, waarbij wij proberen inzicht te krijgen in de dieperliggende oorzaken van de hedendaagse problemen, heeft ons inzicht gegeven in oplossingsrichtingen en prioriteiten voor gerichte ingrepen. 

Daarom beoogt dit Beginselprogramma van Alliantie zich kritisch te verhouden tot de bepalende denklijnen van de huidige tijd. Tevens beoogt het programma een redelijk alternatief aan te reiken om zo onze politiek-maatschappelijke orde op andere en betere uitgangspunten te gronden. Deze uitgangspunten zullen leiden tot een revitalisering en hernieuwde bloei van onze gemeenschap en haar instituties. 

Graag delen we in dit beginselprogramma onze probleemanalyse en uitgangspunten en prioriteiten voor oplossingen. Omdat het een beginselprogramma betreft en géén verkiezingsprogramma, hebben we onszelf enerzijds toegestaan een brede en diepe analyse te maken en anderzijds ons beperkingen opgelegd in de concreetheid van oplossingen per specifiek beleidsterrein. Dit laatste leent zich immers meer voor een verkiezingsprogramma.

Deel 1 | De onnodige crises in Nederland

1. Staat van het land - in een zelfgecreëerde crisis

Alliantie is opgericht omdat we ons zorgen maken over de staat van ons land. Iedere betrokken volger van het nieuws ziet dat ons land niet langer groeit en bloeit als ooit tevoren. De algehele vitaliteit van ons land, de politieke stabiliteit en de sociale samenhang staan onder druk. De grote maatschappelijke vraagstukken worden niet langer opgelost en er is een stapeling van problemen waarneembaar, zoals:

  • de woningnood,
  • het dalende niveau van taal- en rekenonderwijs,
  • de ondermijnende (drugs)criminaliteit,
  • de onhoudbare migratie,
  • het dalende voorzieningenniveau in de regio’s,
  • personeelstekorten,
  • de stagnerende koopkracht en hoge inflatie,
  • de toenemende armoede en algehele druk op de bestaanszekerheid
  • de daling in koopkracht van de pensioenen,
  • de toegenomen eenzaamheid,
  • het drugsgebruik,
  • het vastlopen van de jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg,
  • de problemen in de ouderenzorg,
  • de problematische afhandeling van de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen,
  • het micromanagement van de overheid richting essentiële economische sectoren als de landbouw en de industrie,
  • de verrommeling en verdozing van ons landschap.

Crisis in alle instituties tegelijk

Deze opeenstapeling van crises uit zich in een algeheel gevoel van onbehagen. Het vertrouwen in de overheid en onze politieke leiders daalt. Dit is geen opzichzelfstaand incident maar inmiddels een structureel probleem! Er is duidelijk iets fundamenteels aan de hand. Veel mensen voelen aan dat de oude stabiele ankers van onze samenleving aan het eroderen zijn. Dit raakt alle drie de domeinen die de samenleving ordenen: de staat, de markt en in het bijzonder de gemeenschap.

Men ziet dat de overheid niet meer goed functioneert. De politieke leiders zijn visieloos en bijna inwisselbaar. De markt is zo gereguleerd dat grote bedrijven profiteren en dat met name MKB-ondernemers en agrarische familiebedrijven zuchten onder de regels en belastingdruk. Gemeenschappen verliezen steeds meer hun vitaliteit.

Er is voor hen geen houvast meer in buurt, vereniging of kerk. Maatschappelijke middenveldorganisaties in het onderwijs en de zorg dreigen te bezwijken onder druk van bezuinigingen, regelgeving en uitbesteding aan marktpartijen. Private organisaties in het publieke domein (woningcorporaties, zorgverzekeraars) worden niet langer gedragen door burgers, maar zijn door verstatelijking en/of vermarkting op afstand komen te staan van de gemeenschap zelf.

Vermenging van domeinen leidt tot problemen

Wij constateren dat er een vermenging van domeinen is opgetreden:

  • Dat wat de gemeenschap of de markt toebehoort, wordt door de staat gedomineerd.
  • Wat tot de markt behoort, wordt door de staat verstikt.
  • Waar de markt te veel ruimte krijgt in een globale wereld, ondermijnt het de lokale gemeenschap.
  • Wat tot de staat of het domein van de gemeenschap behoort, wordt vermengd met principes uit het bedrijfsleven, enzovoorts.

En dus gaat er in al deze gevallen iets waardevols verloren. De eigenheid en het eigenaarschap vervloeien en daarmee ook de verantwoordelijkheid. Het potentieel neemt af om als burgers in een democratie gezamenlijk vorm te geven aan een goede, rechtvaardige en solidaire samenleving.

Geen natuurverschijnsel, maar een zelf gecreëerde crisis

Deze ontwikkelingen zijn niet van recente datum en zijn ook geen natuurverschijnsel. Ze zijn veroorzaakt door bestuurlijke en politieke keuzes. 

Deze keuzes zijn de doorwerking van bepaalde denklijnen die de laatste decennia steeds dominanter zijn geworden in onze samenleving hier in Nederland als ook elders in de Westerse wereld.

Het is goed dieper in te gaan op deze denklijnen en hun consequenties en van daaruit te komen tot oplossingsrichtingen voor een nieuw evenwicht.

2. De dynamiek van deze tijd - te weinig samen en te veel top-down

Onze tijd wordt gekenmerkt door drie denklijnen waarvan we steeds duidelijker ook de negatieve consequenties zien. Dit denken manifesteert zich als een laatste ideologie, die alle andere ideologieën en denktradities futiel maakt. Het gaat rond onder noemers als moderniteit en vooruitgang. Het hult zich in de mantel van de redelijkheid en gematigdheid. Gevolg is dat vrijwel alle partijen die regelmatig meebesturen dit denken onderschrijven en grotendeels hebben geïnternaliseerd. Daardoor gaat het politieke debat nu niet langer over de vraag naar de goede ordening van de samenleving of over de koers van het land (de Inhoud). Integendeel, het debat gaat nu vooral over de toon, symbolen en details (de beeldvorming).

Individualisme – nutsmaximalisatie en radicale zelfontplooiïng

De eerste denklijn is het Individualisme en het kent twee verschijningsvormen. Allereerst uit het zich in de eenzijdige gerichtheid van de mens op het maximaliseren van de eigen belangen en behoeften, welvaart en genot en tegelijk het minimaliseren van het tegendeel daarvan: pijn en lijden. Dit denken is vooral terug te zien in de economie, de (economische) wetenschap en het streven naar nutsmaximalisatie.

Ten tweede uit het zich in de gerichtheid van de mens op het romantische ontdekken van het puur individuele en subjectieve ‘ware Zelf’. Deze denklijn ligt deels in het verlengde van de nutsmaximalisatie, want genot en lijden zijn deels persoonlijk bepaald. Echter het fungeert ook deels als alternatief voor het streven naar nutsmaximalisatie, bijvoorbeeld door zich af te zetten tegen financiële en technische vooruitgang en in plaats daarvan meer waarde toe te kennen aan puur individuele zelfontplooiing. In de sferen van media, kunst, cultuur, onderwijs en reclame, is dit op allerlei manieren zichtbaar.

Individualisme – nutsmaximalisatie en radicale zelfontplooiïng

De kern is telkens de steeds radicalere individuele zelfontplooiing. De individuele zoektocht naar wie je werkelijk bent. Deze gaat gepaard met de emancipatie (van bevrijding tot zelfs afbreken) van normatieve tradities, plichten en allerlei verantwoordelijkheden die daarbij horen. Deze vrijheidsopvatting leidt in extremo tot doen waar je maar zin in hebt, zelfs als dit ten koste van anderen gaat. Dat leidt ertoe dat in een individualistische samenleving steeds meer eenzaamheid voorkomt en de bestaanszekerheid van kwetsbare mensen steeds meer onder druk komt te staan.

Dit radicale individualisme gaat voorbij aan het feit dat iedereen in meerdere rollen (de Griekse “persona”) deelneemt aan het sociaal leven, het gezin en de maatschappij en daarin meerdere verantwoordelijkheden heeft (bijvoorbeeld als kostwinner, vader of moeder, partner en medewerker en zo voorts). Personalisme is dus nodig als correctie op Individualisme

Het noodzakelijke complement van de eerdere vrijheid, te weten de verantwoordelijkheid om het goede te doen, mag niet uit het oog worden verloren. 

Wij willen er een pleidooi voor houden dat mensen zich juist inzetten voor de publieke zaak, om naar je naaste om te zien, te zorgen voor mensen die zwak of eenzaam zijn en je bijdrage te leveren aan de bloei van de gemeenschap. 

Een gemeenschap waar je zelf ook onderdeel van uitmaakt!

Gecentraliseerde macht – goede bedoelingen, meer complexiteit en steeds minder vrijheid

De tweede denklijn is dat de moderne staat steeds meer een gecentraliseerde macht wordt. Deze macht speelt een steeds grotere rol in het organiseren en het vaak in detail reguleren van het leven van haar burgers. Centraliseren van macht wordt vaak gerechtvaardigd met mooie intenties over veiligheid, gezondheid, inclusie en duurzaamheid. Als bijgevolg leiden rationele overwegingen over efficiëntie en effectiviteit vanzelf tot een integrale, gecoördineerde en opgeschaalde aanpak vanuit de centrale overheid. De staat wordt zo een almachtige kracht die, met behulp van allerlei experts, commissies en adviesraden, talloze wetten, plannen, regels en convenanten creëert en moet handhaven. Dit proces kent zowel een nationale als een – steeds duidelijkere – Europese (EU) dynamiek. Met de stapeling van elkaar overlappende bestuursgremia ontstaat bovendien complexiteit en dubbeling van taken.

Deze dynamiek van de steeds meer centraliserende macht bij de overheid bedreigt de vrijheid van burgers om hun leven en gemeenschappen zelf in te richten. Ze ondermijnt de vrijheid van lagere bestuurslagen om zelf andere keuzes te maken én ze dwingt burgers en (met name MKB- en agrarische) ondernemers tot hogere kosten. Bovendien maakt ze de centrale overheid kwetsbaar doordat de aansturing van al die taken en rollen bijzonder complex wordt. De negatieve effecten van beleidskeuzes uit het ene beleidsveld (stikstof, migratie) op het andere beleidsveld (woningbouw) zijn niet langer goed te overzien. En als er iets misgaat dan ziet de burger of ondernemer een almachtige kracht tegenover zich die hem kan vermalen in de bureaucratische molen (toeslagenschandaal, aardbevingsschade Groningen). De menselijke maat valt weg. De kloof tussen beleidsbepalers (politici en ambtenaren) en de samenleving (werkveld) wordt steeds groter. Tegelijk verliest democratisch zelfbestuur binnen de eigen nationale of lokale gemeenschap aan betekenis. De hoofdlijnen van het beleid zijn immers al uitgezet door de centrale macht in Den Haag of Brussel en verankerd in verdragen en internationale rechtsregels.

Wij stellen een herontwerp voor waarbij de besturing op dat niveau ligt dat het werkingsgebied het best overziet en begrijpt. Dit leidt ook tot effectiever beleid waarbij de uitvoerbaarheid beter wordt geborgd.  Hogere overheden hebben dan vooral de taak de maatschappij te ordenen en te faciliteren. Ofwel kaderen en de kaders bewaken. Dit leidt ook tot een verlaging van de complexiteit voor de hogere overheden.

Vernieuwingsdrift – utopische ideeën, disruptieve gevolgen

Ten slotte: De derde denklijn betreft de radicale vernieuwingsdrift die zichtbaar is (zowel binnen de overheid als de gehele publieke sector) om een vrijere, inclusievere, efficiëntere en duurzamere samenleving te verwezenlijken. Grote utopische doelen worden geformuleerd die vervolgens als onvermijdelijke en noodzakelijke ‘transities’ worden voorgesteld en ten slotte desnoods van bovenaf met macht van de staat moeten worden afgedwongen. Kennelijk vanuit het principe dat een geleidelijke, pragmatische aanpak die wordt gedragen door de samenleving en de legitimiteit meedraagt van een zorgvuldig democratisch proces voor deze ‘idealisten’ te traag gaat.

Het op een transparante wijze afwegen van soms tegengestelde belangen, waarden en prioriteiten binnen de gemeenschap gaat zo verloren. Verandering wordt voor velen dan synoniem voor disruptie en het verlies van stabiliteit en zekerheid. Belangrijke economische sectoren als de landbouw, de industrie en de energiesector worden hierdoor in het nauw gedreven.

Een vergelijkbare dynamiek zie je bij organisaties in de zorg en het onderwijs die worden overspoeld met fusies, reorganisaties en innovatie- en verandertrajecten die vaak ten koste gaan van vakmanschap, de ruimte voor de professionals in de beroepspraktijk en de betrokkenheid van leerling, ouders en student of cliënt en patiënt. Ook bij fusies van rechtbanken en politiekorpsen is dit zichtbaar. Het niet betrekken van de uitvoering bij wetgeving en beleid, leidt tot wetgeving en beleid die niet goed uitvoerbaar zijn. Met deze transities verdwijnt de menselijke maat, de kleinschaligheid en de betrokkenheid van burgers bij belangrijke publieke diensten zoals:

  • de gezondheidszorg,
  • het onderwijs,
  • de sociale woningbouw,
  • het welzijnswerk, enzovoorts.

Door de wijze van inrichten van veranderingsprocessen wordt het burgers en medewerkers bijna onmogelijk gemaakt om zelf controle te houden en mee te besturen. Dit is ook nog te vaak een bewust proces waar vooral de bestuurders/managers voordeel bij hebben.

Tegenover deze denklijn stellen wij een veranderaanpak voor die enerzijds (door gedegen probleemanalyse en goede visie- en beleidsontwikkeling) tot ambitieuze plannen komt, maar ook tot uitvoerbare plannen die zich verankerd weten in de uitgangssituatie en een haalbaar pad uitstippelen. De beleidsrichting dient ook de democratische toets te doorstaan.

Het gaat ons ook om “creatieve destructie”. Nieuw beleid hoeft niet geheel nieuw te zijn en als ware het vanuit een leeg-blaadje (een “tabula rasa”) te ontstaan. Vaak kan het oude beleid naast het nieuwe bestaan waarbij de overgang geleidelijk verloopt.

Voorbeeld 1:

Het oude pensioenstelsel natuurlijk laten aflopen en vanaf de invoeringsdatum alle nieuwe inleg in het nieuwe stelsel te doen.

Voorbeeld 2:

Het bestaande gasnet handhaven voor waterstofgas om op te koken en mee te verwarmen. Een transitie vergelijkbaar met de invoering van aardgas. Dit laatste verlaagt de druk op het elektriciteitsnet om de hiervoor benodigde energie te transporteren en biedt meer ruimte voor het elektrificeren van bijvoorbeeld mobiliteit.

3. Onbehagen, vervreemding en het redelijke alternatief

In onze tijd heerst er bij grote delen van de samenleving een gevoel van onbehagen en vervreemding. Dat wordt versterkt door het besef dat de waarden en belangen van het brede midden van de Nederlandse samenleving er niet meer toe doen. Het naoorlogse sociale contract is verbroken. Er is onduidelijkheid over onze nationale identiteit. Dit versterkt de onzekerheid over de toekomst. De huidige politiek-bestuurlijke elites weten dit onvoldoende aan de orde te stellen. Dit komt deels doordat ze het onbehagen en de vervreemding niet zelf ervaren, deels ook doordat ze overtuigingen aanhangen die het onbehagen juist aanwakkeren. Het gaat dan om de combinatie van opvattingen van cultureel progressief (“links”) en economisch liberaal gedachtegoed (“rechts”). Door het onvermogen en de onwil bij de elites om het onbehagen te adresseren, nemen de radicale alternatieven op de flanken aan kracht toe. We constateren twee problematische ‘tegenbewegingen’ die zich tegen de bestaande orde keren. De ene is revolutionair en de ander reactionair van karakter.

De revolutionaire tegenbeweging

Voor de aanhangers van extreem of radicaal-links gaan de veranderingen niet snel en ver genoeg. Vrijwel alle instituties van de samenleving,van de staat en de markt tot de gemeenschap, zijn (in hun ogen) structureel onderdrukkend voor allerlei minderheidsgroepen (homoseksuelen, transgenders, vrouwen, mensen van kleur). Ook (zo veronderstellen zij) houden gevestigde (kapitalistische) belangen en machten de radicale veranderingen om de klimaatcrisis op te lossen tegen. Een revolutionaire verandering van het systeem en de omverwerping van de bestaande machtsstructuren in de cultuur, het onderwijs en de economie is nodig (zo betogen zij) om zo een echt inclusieve en duurzame samenleving te forceren

De reactionaire tegenbeweging

Bij reactionair rechts gaan de veranderingen juist te ver en te snel. De democratische en rechtsstatelijke instituties worden beschouwd als gekaapt door progressieve politieke, culturele en media-elites. Ook hier moet het systeem worden omvergeworpen ten einde ‘het volk’ weer aan de macht te krijgen. Er moet worden gestreden tegen de ‘kwaadaardige’ elites die heimelijk het land en de wereld vanuit hun machtshonger besturen.

Alliantie | Het redelijke alternatief

Om de democratische en rechtsstatelijke orde te beschermen moet uit het gematigde burgerlijke midden een krachtig en redelijk alternatief ontstaan.  Dat alternatief werkt constructief samen aan haalbare oplossingen voor de uitdagingen van onze tijd. Er is behoefte aan meer keuze dan tussen technocratie enerzijds en revolutionaire of reactionaire bewegingen anderzijds. Alliantie is dat krachtige en redelijke alternatief.

Een belangrijke politieke regel voor Alliantie is om te behouden wat goed is, en alleen iets te veranderen als het daadwerkelijk een verbetering is. Dit is geen radicalisme, maar pragmatisme. 

De politiek moet eerlijk kijken naar wat goed gaat en wat beter kan. Het is belangrijk om niet te blijven hangen in cultuur- of systeemkritiek. Wij komen met een positief alternatief. In het verleden is het Nederlandse volk in staat geweest tot grootse prestaties. De wederopbouw na de oorlog en de Deltawerken zijn daar voorbeelden van. Dat biedt hoop en inspireert.

Opbouwende kritiek, een inhoudelijk debat en tegelijkertijd optimisme en een visie voor de toekomst zijn noodzakelijke bouwstenen. Hiermee kan het welzijn van de samenleving en de sociale vrede worden hersteld en daarna bewaard blijven. De dominante ideeën van deze tijd, zoals uitgedragen door de kleurloze en technocratische middenstroom in de politiek, zijn onvoldoende om de sociale vrede te bewaren. Deze denklijnen bieden bovendien geen alternatief voor en ook onvoldoende weerwoord tegen de uitdagingen van de radicale flanken.

Alliantie | Unieke positie, rijke bronnen

Als hét alternatief vanuit het burgerlijke en democratische midden past Alliantie ook een robuuste middenpositie binnen het politieke landschap. Deze middenpositie is het resultaat van onze positionering op de twee (los van elkaar staande) assen sociaal-economisch en sociaal-cultureel.  Alliantie is sociaal-economisch iets links-van-het-midden. Sociaal-cultureel is Alliantie gematigd conservatief. Deze mengkleur brengen wij tot uitdrukking in het turquoise van ons logo.

Om het contrasterend alternatief te vormen is het ook zaak om alternatieve beginselen uit te werken én te putten uit andere en rijkere bronnen dan de bronnen van de denklijnen die de dynamiek van deze tijd bepalen. Het gaat dan met name om de Westerse religieuze en filosofische traditie. Deze is geworteld in het Jodendom en de Grieks-Romeinse Klassieken. Deze wortels zijn samengekomen in de denktraditie van het Christendom, waaruit vervolgens de moderne westerse filosofie is ontstaan. Wanneer we ons oriënteren op deze complete denktraditie komt een realistischer mens- en maatschappijvisie naar voren met passende beginselen voor het politiek handelen.

Deel 2 | De oplossing in eigen hand

4. Beginselen | Met de juiste beginselen het heft weer in eigen hand nemen

De kritiek van Alliantie op de dynamiek van deze tijd kent zijn bron in het gemeenschapsdenken. Dat is meer dan alleen de bril waardoor wij naar de problemen kijken! Het is onze keuze als leidraad voor handelen!

Door onze manier van kijken expliciet te maken in een mensvisie en beginselen, verschaffen we onszelf een denkrichting voor oplossingen. Deze denkrichting vormt ons venster op de actuele politiek-maatschappelijke onderwerpen en de rode draad voor een Verkiezingsprogramma.

4.1. Mensvisie: een sociaal maar ook onvolmaakt wezen

  • De mens is een sociaal wezen en komt alleen tot bloei binnen een bredere gemeenschap van mensen. We hebben het dan onder meer over gezinnen en verenigingen, maar ook over (geloofs-)gemeenschappen en nationale verbanden.
  • De menselijke waardigheid die geldt voor elk mens is onvervreemdbaar. Ze komt de mens toe ongeacht religieuze oriëntatie, intelligentie, levensfase, huidskleur, seksuele geaardheid, gezondheid, klasse, status, opleiding of bezit van geld of goederen.
  • De mens is een onvolmaakt wezen, dat beschaving en opvoeding behoeft. De mens is tegelijkertijd ook van nature een rationeel en moreel wezen. Daarom is de mens in staat het goede te leren kennen, daarnaar te handelen en in vrijheid een betekenisvol leven te leiden. Daartoe is vorming via opvoeding en onderwijs noodzakelijk. Eveneens van belang is een groot staatsvrij-domein waarin personen, gemeenschappen, gezinnen, verenigingen, coöperaties en bedrijven zelf verantwoordelijkheid voor hun toekomst en omgeving kunnen nemen.
  • Elk mens is uniek en daarmee niet-gelijk, maar wel gelijkwaardig aan andere mensen. Veelkleurigheid als gevolg van al die menselijke verschillen is een gegeven in elke samenleving. Een goed werkende gemeenschap benut deze veelkleurigheid.

4.2. Visie op werkelijkheid en de samenleving – waardevol, maar onvolmaakt

  • Het menselijke bestaan vindt plaats in een objectieve en waardevolle werkelijkheid. De mens kan fundamentele inzichten over het goede, ware en schone Opvoeding, onderwijs, openbaring, levenservaring, gebruik maken van de rede en van ervaringen van anderen zijn wegen naar de opbouw van deze kennis. Overigens laat het mysterie van ons bestaan zich nooit volledig doorgronden. De wetenschap, geschiedenis, religie en cultuur zijn belangrijk en dragen bij aan de opbouw van inzichten over het goede, het ware en het schone.
  • Elke samenleving met zijn eigen cultuur, taal, tradities en gebruiken is historisch geworteld en gevormd door de geschiedenis. Elk lid van de samenleving staat in een lange keten van mensen: van de generaties die hem voorgingen en de toekomstige generaties die na hem zullen komen. De bandbreedte van onze keuzevrijheid wordt dan ook enigszins beperkt (maar in sommige opzichten ook juist verrijkt) door de bagage die we hebben meegekregen van de generaties voor ons en doordat we rekening willen houden met volgende generaties.
  • Het bestaan is onvolmaakt. Dit geldt niet alleen voor de mens zelf, maar ook voor organisaties en verbanden in de samenleving. Kaders, in de vorm van wetgeving, contracten en conventies, zullen altijd nodig zijn om te voorkomen dat personen, gemeenschappen, bedrijven en overheden elkaar of zichzelf beschadigen en daarmee wegkomen. Dit vloeit logisch voort uit de onvolmaaktheid van de mens. Geordende vrijheid is daarom de hoogst haalbare vrijheid. Dat maakt deze vrijheid niet minder essentieel voor de samenleving.
  • De overheid is noodzakelijk, omdat in elk gebied er óf één organisatie een geweldsmonopolie heeft, óf er om gevochten wordt. Ook dit vloeit logisch voort uit de onvolmaaktheid van de mens. Toch is het zinvol om na te denken over hoe een goede overheid zou moeten zijn ingericht en waar deze zich mee bezig moet houden. Dit vloeit logisch voort uit het idee dat het goede, het ware en het schone kenbaar en nastrevenswaardig zijn. Een goede overheid hoort zich bezig te houden met het algemeen welzijn van de gehele gemeenschap binnen haar territorium. Haar beleid en functioneren moet individuen, gemeenschappen, verenigingen, coöperaties en bedrijven de ruimte en de veiligheid geven om te kunnen bloeien. Ook moet haar beleid juist bescherming bieden aan kwetsbare mensen. Hen moet geen zelfredzaamheid worden toebedeeld die ze nooit waar kunnen maken. Het algemeen welzijn mag niet ondergeschikt worden gemaakt aan deelbelangen van invloedrijke groepen of organisaties.

4.3. Uitgangspunten voor goed bestuur en politiek handelen

Het politieke debat gaat over de vraag wat het gemeenschappelijk goede is en wat de overheid moet doen of juist moet laten om het gemeenschappelijk goede te dienen. Voor de taken die binnen het bereik van de overheid vallen, gaat het debat ook over de vraag hoe deze taken dienen te worden gereguleerd en uitgevoerd en met welke middelen.

Vanuit haar visie op de mens, de werkelijkheid en de samenleving, hanteert Alliantie de volgende uitgangspunten om standpunten te bepalen in het politieke debat.

Rechtvaardigheid

Omdat politieke macht misbruikt kan worden en kan ontsporen, moet ze worden begrensd door het recht, worden gespreid over meerdere personen/instituten, worden gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd. Daarom zijn de scheiding der machten, het creëren van een tegenmacht en periodieke verkiezingen noodzakelijk, aangevuld met referenda en een sterke positie van de grondwet binnen het rechtsbestel.

De gemeenschap dient onrecht (misdaad en geweld) te bestrijden en in het bijzonder een schild te vormen voor de zwakkeren, de kwetsbaren en de weerlozen in de samenleving.

Het is noodzakelijk dat het recht appelleert aan hogere rechtsbeginselen en fundamentele mensenrechten zoals: de bescherming van leven en eigendom, bescherming van het gezinsleven, het recht op privacy en vrijheden als meningsuiting, godsdienst, onderwijs en vereniging.

Solidariteit

In een gemeenschap van gelijkwaardige mensen zijn de sociaaleconomische verschillen niet te groot en wordt de gemeenschap gedragen door een brede en dynamische middenklasse. Dit is een middenklasse die omziet naar de sociaal zwakkeren en de elites levert die de gehele gemeenschap dienen. Om deze dynamische middenklasse te faciliteren, ontmoedigt de overheid een te grote concentratie van kapitaal, kennis en netwerkmacht.

In een gemeenschap waarin gelijkwaardigheid een leidend beginsel is, zal er bijzondere aandacht moeten zijn voor de noden en zorgen van de sociaal zwakkeren en kwetsbaren. Het gaat hier ten minste om financiële bestaanszekerheid. Deze zorg wordt geborgd door onder andere sociale rechten en publieke (gemeenschappelijke) sociale arrangementen (de verzorgingsstaat).

Juist voor de kwetsbaardere leden van de gemeenschap streeft de overheid naar toegankelijke en kwalitatief goede zorg, onderwijs en huisvesting.

De praktische invulling van de sociale grondrechten zoals vastgelegd in de Grondwet en de Internationale Verdragen voor de Rechten van de Mens veronderstellen een sociale markteconomie. Het vrije ondernemerschap schept de materiële voorwaarden voor collectieve arrangementen. Deze arrangementen borgen weer de bloei van de gemeenschap en garanderen het welzijn van individuen in het geval van tegenslag, nood, ziekte en ouderdom. Deze principiële keuze voor de sociale markteconomie, ook wel bekend als het Rijnlands model, plaatst Alliantie iets links in het politieke spectrum.

Realisme

Een bescheiden, pragmatische en nuchtere benadering van de politiek moet leidend zijn. Idealen en uitgangspunten dienen te worden omgezet in concrete en haalbare beleidsmaatregelen.

Het politieke handelen moet gebaseerd zijn op grondige en feitelijke analyses van de problematiek. De politiek dient te waken voor allerhande utopieën, vormen van wensdenken en bestuurlijk hobbyisme (geforceerd koploper of gidsland willen zijn). Goede intenties zijn op geen enkele manier een garantie voor goed beleid.

Het politieke handelen moet rekening houden met de doeltreffendheid en doelmatigheid van de gekozen beleidsmaatregelen. Ook de daadwerkelijke gevolgen ervan voor burgers, gemeenschappen en bedrijven en de beperkingen en mogelijkheden van overheidsinterventies moeten worden meegewogen.

Beleidskeuzes dienen altijd vooraf te gaan aan een politieke afweging tussen belangen, waarden en prioriteiten. Er bestaan immers geen perfecte beleidsoplossingen zonder enige nadelen of beperkingen. Politieke keuzes dienen ook genomen te worden met inachtneming van de politieke realiteit, machtsverhoudingen en de geopolitieke en internationale context.

Politieke veranderingen dienen in de regel geleidelijk en voorzichtig te worden doorgevoerd. Daarbij is het belangrijk om te vertrouwen op de kennis en ervaringen uit de praktijk en niet blind te staren op abstracte theorieën, systemen en modellen.

We kiezen voor bescheiden beleidsstappen in plaats van grote radicale hervormingen. Een radicale hervorming loopt namelijk vaak vast in de transitie van oud naar nieuw beleid en/of in de uitvoering. Echter, als de richting van de beleidsstappen maar de juiste is, kun je met bescheiden stappen toch ver komen. De richting creëert immers pad-afhankelijkheid, omdat een eenmaal gekozen pad niet zomaar te veranderen is. De snelheid van de veranderingen is daarom niet het belangrijkste, maar de richting. Beleidsvisie en pragmatisme worden zo gecombineerd.

Zelfbestuur

Een gemeenschap bestaat alleen uit vrije en gelijkwaardige mensen als zij zichzelf kunnen besturen. Dit betekent dat zij de vrijheid hebben om als volwaardige personen hun gemeenschappen (politiek, religieus, bedrijf, buurt, familie en gezin) naar hun inzichten en overtuigingen in te richten. Dit impliceert dat zij hun eigen politieke keuzes kunnen maken en de regels waaronder zij willen leven zelf mogen opstellen. Dit impliceert tevens dat er geen hogere machten zijn die hun wetten en regels maken, op hen toezien en over hen heersen zonder dat zij een robuuste stem hebben gehad in de politieke keuzes die aan deze wetten en regels ten grondslag liggen.

Burgers hebben een grote verantwoordelijkheid om de intermediaire instituties tussen staat en individu vitaal te houden. Het ‘maatschappelijk middenveld’ dient gedragen te worden door burgers zelf, hun taken, rol en verantwoordelijkheden moeten niet worden overgenomen door de (centrale) staat of het bedrijfsleven.

Vrijheid van meningsuiting, godsdienst, vereniging en onderwijs dienen robuust geïnterpreteerd te worden. Alleen met grote terughoudendheid kunnen deze worden ingeperkt en bij de botsing met het gelijkheidsbeginsel dient vrijheid in de regel boven gelijkheid te gaan.

Rentmeesterschap

De natuurlijke en culturele bronnen van de gemeenschap die men van vorige generaties heeft geërfd moeten met zorg en eerbied worden beheerd en worden doorgegeven aan de volgende generaties. Daarom moeten we als gemeenschap zuinig zijn op onze natuur, landbouwgronden en cultuurlandschappen, op ons gehele materiële en immateriële erfgoed van taal, kunst, tradities en gebruiken en op onze karakteristieke stadsgezichten en dorpskernen.

Het werken aan schone lucht, schoon water en een schone bodem is belangrijk voor al het bestaande en toekomstige leven op onze planeet. Bij de omgang met opwarming van de aarde moet een balans worden gezocht tussen het behoud van zelfbestuur, het voorkomen van opwarming, aanpassen aan opwarming en het behoud van welvaart en solidariteit.

Een zorgvuldige omgang met gemeenschappelijke financiën en publieke bezittingen moet leidend zijn in het landsbestuur en verspilling van geld, energie, producten en grondstoffen binnen de gemeenschap moet worden tegengegaan.

Beleidskeuzes moeten derhalve toekomstbestendig zijn. Zij zijn niet onderhevig aan opportunisme of de waan-van-de-dag.

4.4 Een sobere en inhoudelijk gedreven manier van politiek bedrijven

Naast deze uitgangspunten is ook de houding voor het bedrijven van politiek van belang. Inhoud en gedrag horen in elkaars verlengde te liggen. Alliantie wil bijdragen aan een politieke cultuur waarin actief burgerschap en het dienen van de publieke zaak worden aangemoedigd. Daarnaast verzetten we ons tegen het idee van de politiek als carrièrestap of leuk bijbaantje. Het is een roeping, plicht en voorrecht voor burgers om zich met politiek en bestuur bezig te houden.

We staan afwijzend tegenover de neiging om de politieke arena te gebruiken als podium om te politiseren of een persoonlijkheidscultus op te bouwen. We kiezen een sobere omgang met de (sociale) media en wijzen beeldvormingspolitiek af. Onze focus ligt op vakkennis, hart voor de zaak en bescheidenheid in het toe-eigenen van persoonlijke macht. We zoeken verbinding met andere bewegingen op basis van de inhoud. We streven naar het bemiddelen van tegenstellingen in de samenleving in plaats van het uitvergroten ervan.

Deel 3 | Het kan wél.

5. Functioneren van het publieke domein – problemen op alle fronten

Wanneer we het huidige functioneren van de politiek en het gehele publieke domein toetsen aan de hand van de bovenstaande uitgangspunten, valt op dat de huidige praktijk sterk van deze uitgangspunten afwijkt.

Kritiek op het functioneren van politiek en het publieke domein komt niet alleen van Alliantie. De uitkomsten van vele parlementaire enquêtes, adviezen van de Raad van State, of de jaarverslagen van de Nationale Ombudsman zijn duidelijk genoeg. En ook veel politieke partijen beloven verbeteringen in hun verkiezingsprogramma’s. Toch komt het er niet van. Daarom is het nodig om de oorzaken en de mogelijke oplossingen voor het steeds minder goed functioneren van de politiek en het publieke domein nader te beschouwen.

Een goed functionerende staat moet bijdragen aan de bloei van de gemeenschap. Om effectief te zijn, moet ze zowel goed georganiseerd als daadkrachtig zijn. Tegelijkertijd moet ze open staan voor correctie, controle en bijsturing. Dit raakt aan de vraag naar de kerntaken van de overheid, het karakter van de overheid en de verhouding tussen de overheid en de samenleving. En het gaat over de elkaar aanvullende bestuurlijk-ambtelijke organisatiekracht en democratische correctiemacht. Met andere woorden, macht en tegenmacht.

Er zijn vier acute problemen:

  1. De overheid heeft te veel taken op zich genomen;
  2. De uitvoering van publieke diensten is niet meer goed georganiseerd;
  3. Het democratische proces functioneert niet langer ten behoeve van visieontwikkeling en als correctiemechanisme;
  4. De taakverdeling tussen de bestuurslagen is onduidelijk, mede door samenwerkingsverbanden waarbij democratische controle te wensen overlaat.

Deze problemen oplossen heeft voor Alliantie de hoogste prioriteit. Immers, eerst moet het functioneren van de overheid zelf verbeteren, want alleen dan kunnen de problemen op andere beleidsterreinen effectief aangepakt worden.

5.1. Bescheiden bestuur en focus op kerntaken

De overheid heeft de laatste decennia steeds meer taken op zich genomen of bestaande taken op een andere, meer complexe wijze ingericht. Voorbeelden zijn het voeren van inkomensbeleid via een toeslagenstelsel en het zich via internationale verdragen binden aan natuur- en klimaatdoelen zonder dat kosten en effecten helder zijn. Onderliggende redenen voor deze keuzes zijn vaak goede bedoelingen. Voorbeelden hiervan zijn het voorkomen van mogelijk toekomstig menselijk lijden, het uitsluiten van eventuele (nieuwe) risico’s of het leveren van individueel maatwerk.

De overheid wil te veel, waardoor er veel misgaat.

Deze uitgebreidere taakopvatting van de overheid is niet zonder problemen. Overheidsbeleid kent vaak onbedoelde neveneffecten die de gehoopte opbrengsten van het beleid op een ander terrein tenietdoen. Daarnaast leidt extra complexiteit zelf tot problemen in de uitvoering. De complexiteit veroorzaakt ook moeilijkheden in het bijsturen wanneer problemen zichtbaar worden. Want aan welke van de vele knoppen moet worden gedraaid als ze allemaal op elkaar ingrijpen?

Bovenal miskent deze uitgebreide taakopvatting van de overheid de aard van de overheid zelf. De kern van de overheid is dat ze het geweldsmonopolie heeft. Om dit in goede banen te leiden, zijn er grondrechten, scheiding van machten en beginselen van behoorlijk bestuur. Dit leidt tot een minder efficiënt uitvoeringsproces, maar als het goed is wel tot een goede afweging van waarden en belangen en voor iedereen begrijpelijke en eenduidige beslissingen. Indien nodig kan de overheid ook dwang gebruiken om, ten behoeve van het algemeen welzijn van de gehele gemeenschap, bepaalde noodzakelijke maatregelen door te voeren.

De samenleving kan veel taken beter dan de overheid

Dit alles leidt tot de onvermijdelijke conclusie dat veel zaken sneller en eenvoudiger op vrijwillige basis door burgers onderling kunnen worden geregeld dan door de overheid. Een deel zal op commerciële basis via het marktmechanisme worden geregeld, een ander deel uit ideële motieven via verenigingen en stichtingen. Alléén die zaken die niet beter door de samenleving zelf kunnen worden geregeld, zullen door de overheid geregeld moeten worden binnen de hierboven genoemde randvoorwaarden. Deze kerntaken van de overheid betreffen:

  • Openbaar bestuur (inclusief functionerend democratisch politiek proces)
  • Belastingheffing en beheer van publiek geld
  • Rechtspraak
  • Veiligheid (politie, leger, veiligheidsdiensten en grensbewaking)
  • Internationale betrekkingen
  • Publieke werken (fysieke en digitale infrastructuur)
  • Sociale Zekerheid (arrangementen betreffende arbeid, arbeidsongeschiktheid, armoede, gezinsvorming, ziekte en ouderdom)
  • Marktordening (kaders met oog op veiligheid, gezondheid, milieu, eerlijke concurrentie; extern handelspolitiek)
  • Ruimtelijke ordening (kaders betreffende ruimtegebruik)
  • Voorwaardenscheppende taak publieke diensten (zorg, onderwijs, wetenschap, volkshuisvesting, natuurbeheer, sport en cultuur)
  • Toezicht, inspectie en handhaving

Een zuivere taakverdeling tussen gemeenschap, markt en overheid is noodzakelijk.

Buiten deze kerntaken moet de overheid zeer terughoudend zijn in het op zich nemen van taken. Deze taken zelf dienen te worden uitgevoerd o.b.v. goede beleidsvoorbereiding en heldere kaders (financieel en qua verantwoordelijkheden). De overheid weer laten concentreren op haar kerntaken zal betekenen dat er een ontvlechting moet plaatsvinden waar de overheid op andere terreinen is binnengedrongen. Deze ontvlechting zal een geleidelijk proces zijn waarbij de samenleving en de markt ook weer toegerust moeten worden om deze taken zelfstandig uit te oefenen.

Een zuivere taakverdeling tussen overheid, gemeenschap en bedrijfsleven is noodzakelijk, maar daarnaast ook de erkenning dat elke sfeer zijn eigen wetmatigheden kent. Zo leidt het niet tot verbetering wanneer marktdynamiek op ziekenhuizen en scholen wordt losgelaten of wanneer een uitvoeringsdienst van de overheid als een commercieel bedrijf georganiseerd wordt. Ook leidt het niet tot verbetering wanneer de overheid zich te gedetailleerd met het bestuur van verenigingen of bedrijven gaat bemoeien of hen via subsidies grotendeels van de overheid afhankelijk maakt. Vermenging van processen uit de ene sfeer met processen uit de andere sferen moet worden vermeden.

5.2. Regels voor goed beleid en uitvoering in het publieke domein

De kwaliteit en degelijkheid van de overheid en zelfs de gehele publieke sector staat onder druk. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk in het toeslagenschandaal, de trage afhandeling van aardbevingsschade en de problematische uitvoering van jeugdzorg. Bovendien lijkt de overheid steeds minder in staat om effectief te reageren op urgente kwesties, zoals asiel- en migratieproblematiek, stijgende energieprijzen of de woningnood.

Deze problemen worden deels veroorzaakt door de complexiteit van de vraagstukken zelf, maar ook door de organisatiestructuur van de overheid, zowel nationaal als lokaal. De overheid beschikt feitelijk over steeds minder vermogen – zowel organisatorisch als intellectueel – om concrete problemen op te lossen. Er is sprake van toenemend systeemfalen.

Zo wordt nieuwe wetgeving onvoldoende gekoppeld aan een uitvoeringstoets. Met de uitvoeringstoets wordt de uitvoerbaarheid van de nieuwe wet- en regelgeving vastgesteld. Voorts is dit ook het kader voor uitbesteding aan derden. Het uitbesteden van de uitvoering ontslaat de uitbestedende partij niet van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering.

Zij heeft dus een regelkringcyclus (plan-do-check-act) in te richten om de kwaliteit van de uitbesteding te beheersen en waar nodig bij te sturen. Ook moet de kennis in de uitbestedende organisatie aanwezig blijven om de vereiste bijsturing te kunnen doen.

Problemen door toepassing van principes uit het bedrijfsleven op de overheid

In Nederland is de publieke sector de afgelopen decennia steeds meer op managementprincipes en bedrijfsmodellen gaan leunen. Men begon het in de jaren zeventig en tachtig als een probleem te zien dat overheidsinstanties en publieke organisaties, zoals scholen, zorginstellingen en woningcorporaties, van nature inefficiënt, kostbaar en log waren omdat ze niet dezelfde marktdruk voelden als private ondernemingen.

Daarom is sinds de jaren tachtig de overheid – en eigenlijk de gehele publieke sector – gereorganiseerd in lijn met de principes van het zogenaamde New Public Management, met als doel meer efficiëntie, flexibiliteit en dynamiek te creëren. Alleen, deze “nieuwe manier van denken en organiseren” heeft een averechts effect gehad: het werd nog inefficiënter, nog kostbaarder en nog logger en de resultaten gingen achteruit. De reden hiervan is dat New Public Management geen marktdruk creëert en dat is nu juist een essentiële voorwaarde voor het succes van de vrije markt. Maar marktdruk is juist niet verenigbaar met overheidstaken, omdat overheidstaken per definitie uitgaan van een monopolie, anders moet de overheid zich er niet mee bemoeien. Hier treedt dus een vermenging van processen uit verschillende sferen (overheid en markt) op. Deze reorganisatie heeft de aard en positie van de overheid en het ambtenarenapparaat ingrijpend veranderd, met enkele problematische gevolgen:

A picture containing person, person Description automatically generated
  • Veel overheidsdiensten zijn geprivatiseerd, verzelfstandigd of op afstand geplaatst van de verantwoordelijke ministeries of gemeentelijke besturen, in een poging om efficiëntie te bevorderen. Dit heeft echter geleid tot verminderde politieke sturing en tot een kloof tussen de beleidsmakers en de uitvoerders. Hierdoor ontbreekt waardevolle input uit de praktijk bij het vormen van beleid;
  • De nadruk op economisch management binnen de overheid heeft geresulteerd in reorganisaties en veranderingen zoals schaalvergroting, fusies, een focus op meetbare (kwantitatieve) waarden en een groei van een kaste van inhoudsloze managers;
  • Er is sprake van een afname van vakmanschap en specialistische kennis onder ambtenaren, die steeds vaker worden geselecteerd op basis van algemene managementvaardigheden. Kennis en kunde die voorheen binnen de overheid aanwezig waren, moeten nu vaak worden ingehuurd bij dure externe adviesbureaus;
  • De taken en verantwoordelijkheden zijn minder duidelijk geworden. Vaak zijn vele publieke en private partijen betrokken met een onduidelijke verdeling van taken en verantwoordelijkheden, denk alleen maar aan de ingewikkelde aanbestedingssystematiek en afstemmingsproblematiek in bijvoorbeeld de jeugd- en thuiszorg.

Vuistregels voor een beter functionerende overheid

Kortom, de organisatiekracht van de overheid om problemen op te lossen is afgenomen, terwijl de uitdagingen in onze snel veranderende wereld juist groter zijn geworden. Dit geldt in vergelijkbare mate voor private middenveldorganisaties met een publiek doel (zorg, welzijn, onderwijs, sociale woningbouw). De gehele publieke sector functioneert niet goed. Uit deze analyse, in combinatie met onze uitgangspunten zelfbestuur en realisme, leiden we een aantal vuistregels af voor het goed functioneren van de plan-do-check-act (regelkringcyclus) van de publieke sector:

  • Regel van de eenvoud
  • Regel van de realistische en haalbare doelen
  • Regel van de heldere toedeling van taken en verantwoordelijkheden
  • Regel van de betrokkenheid van de uitvoeringspraktijk
  • Regel van de evaluatie/terugkoppeling van resultaten
  • Regel van ambtelijke professionaliteit (kennis en kunde)

5.3 Regels voor de versterking van de democratische politiek

De taakopvatting en de organisatie van de overheid zijn slechts een deel van het verhaal. Er is ook een probleem met het functioneren van de democratie. Het democratische proces heeft twee functies. De eerste is het ontwikkelen van een politieke lange-termijn visie en beleid met breed draagvlak in de gehele gemeenschap. De tweede is het vormen van een parlementaire tegenmacht en een correctiemechanisme op de uitvoerende macht. 

Goede visieontwikkeling leidt tot breed draagvlak voor beleid

Het eerste mechanisme werkt in theorie als volgt. Partijen articuleren waarden en belangen en de burgers geven als kiezer een groter of kleiner mandaat aan deze partijen. Deze partijen kunnen vervolgens door overleg een grotere gemene deler vinden of een compromis sluiten waarin de waarden en belangen van de verschillende achterbannen meegenomen zijn. Op deze wijze kan een breed draagvlak voor beleid op een bepaald onderwerp ontstaan.

Het democratisch proces als onontbeerlijk correctiemechanisme

Ten tweede is ook de functie van het democratisch proces als correctiemechanisme van groot belang. Immers, bij het bestuderen van de geschiedenis wordt duidelijk dat verschillende staatsvormen zowel succesvol als onsuccesvol kunnen zijn. Toch is er één cruciaal element dat telkens bijdraagt aan het succes van een staat: een goed werkend correctiemechanisme. Dit mechanisme, dat ook te vinden is in wetenschap en vrije markten, corrigeert en verbetert processen. Het democratische proces is ook zo’n mechanisme. Als het goed werkt, bevordert het de vooruitgang, stuurt het bij waar nodig en het voorkomt en corrigeert slechte beslissingen.

Problemen in het democratische proces in Nederland

Ons democratische proces, zowel in de functie van visieontwikkeling als in de functie van correctiemechanisme, functioneert niet meer naar behoren. Als we onze blik richten op de staat van onze overheid en politiek in Nederland, valt op dat visieontwikkeling vanuit waarden en belangen, controle, tegenmacht en een open debat niet langer vanzelfsprekend zijn. Dit komt onder meer door de volgende problemen:

  • De coalitiepartijen in de Tweede Kamer gedragen zich vaak als een verlengstuk van het kabinet. Dit ‘monisme’ leidt tot onvoldoende controle vanuit de coalitiefracties, zodat kabinetsplannen te vaak alleen vanuit de oppositie worden bekritiseerd.
  • Ons kiesstelsel geeft de landelijke partijtoppen vrijwel de volledige macht over de samenstelling van de kieslijsten van hun partijen. Dit resulteert in strikte fractiediscipline opgelegd door de partijtoppen.
  • Andere bestuurslagen – provincies en gemeenten – zijn vaak financieel te afhankelijk van de centrale overheid, waardoor ze geen gelijkwaardige partij zijn in relatie tot het kabinet en de gehele nationale overheid.
  • Er is sprake van een ongewenste vorm van depolitisering. Dit raakt het democratische proces in de functie van visieontwikkeling. Regeringscoalities bestaan uit partijen met verschillende opvattingen en vaak kleine meerderheden, waardoor de regering belang heeft bij depolitisering van politieke onderwerpen. Er zijn vier depolitiseringsstrategieën zichtbaar:
    • Fractiediscipline en gedetailleerde coalitieakkoorden;
    • Het sluiten van buitenparlementaire akkoorden tussen bestuurders, bedrijven en belangengroepen zonder dat de directe betrokkenheid van burgers via het parlement goed is geregeld;
    • Het overlaten van beleidskeuzes aan allerlei zogenaamd objectieve rekenmodellen en commissies van experts. Dit in plaats van eigen verantwoordelijkheid te nemen
    • Het aangaan van bindende verplichtingen op EU- en op internationaal niveau.

Dit is niet zonder problemen. Deze depolitisering slaat het politieke debat dood. Politieke afwegingen op basis van waarden en belangen worden dan niet meer echt gemaakt. Hierdoor functioneert het democratisch proces, zowel in de functie van visieontwikkeling als in de functie van correctiemechanisme, onvoldoende. Het gevolg is slecht beleid, het niet oplossen van problemen en een stapeling van crises.

Vuistregels voor een beter werkend democratisch proces

Uit deze analyse, in combinatie met onze uitgangspunten van rechtvaardigheid, realisme en zelfbestuur, leiden we een aantal vuistregels af voor het goed functioneren van het democratische proces:

  • Regel van het inhoudelijke en fatsoenlijke debat
  • Regel van de democratische legitimatie – besluitvorming over belangrijke politieke keuzes dienen in het parlement genomen te worden
  • Regel van onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordiger
  • Regel van goede toerusting en ondersteuning van volksvertegenwoordigers
  • Regel van de transparantie en openheid
  • Regel van de zuivere procedures
  • Regel van de degelijke wetsvoorbereiding

En dit alles tegen de achtergrond van de structurele instabiliteit van de euro en ons monetaire systeem en de onbestendigheid van onze geopolitieke omgeving.

5.4 Regels voor een heldere taakverdeling tussen bestuurslagen

Naast problemen met de taakopvatting van de overheid, de uitvoering van beleid en het democratische proces, is er ook nog een probleem met de verdeling van taken tussen de verschillende bestuurslagen. Provincies, gemeenten en waterschappen zijn zelfstandige bestuurslagen met eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Echter, ze zijn voor hun inkomsten grotendeels afhankelijk van fondsen op nationaal niveau. Daarnaast bepaalt het Rijk ook de kaders van het beleid. Wanneer het Rijk zeer gedetailleerde kaders verschaft en onvoldoende middelen verstrekt bij uitbreiding van taken van lagere overheden, ondermijnt het Rijk daarmee de zelfstandigheid van deze bestuurslagen. Dit is precies wat de afgelopen jaren volop gebeurd is, onder meer bij de decentralisatie van de jeugdzorg.

Daarnaast zijn er voor specifieke taken allerlei samenwerkingsverbanden opgericht, waarvan meerdere een verplicht karakter hebben. Voorbeelden zijn de Veiligheidsregio’s en de Regionale Energiestrategie (RES). Het probleem hiermee is dat de democratische controle veel zwakker georganiseerd is dan bij een formele bestuurslaag, zoals de gemeente. Hierdoor hebben bestuurders relatief veel formele macht en is het voor volksvertegenwoordigers moeilijk invloed op het beleid uit te oefenen. De gevolgen zijn een niet transparante besluitvorming, soms vergaande beslissingen met weinig draagvlak en weinig mo

Om deze problemen aan te pakken zien we een aantal vuistregels voor een goede taakverdeling tussen bestuurslagen:

  • Regel dat overheidstaken bij een formele bestuurslaag liggen, waar ook de democratische controle geborgd is.
  • Regel dat taken op het laagst mogelijke niveau liggen waar ze goed kunnen worden uitgevoerd, maar niet lager. Dit betekent terughoudendheid in overdracht van taken aan de EU, maar ook in het overdragen van complexe taken naar gemeenten die dan eigenlijk tot fusies gedwongen worden.
  • Regel dat financiën voor een belangrijk deel uit eigen belastingen komen.
  • Regel dat gemeenten benaderbaar horen te zijn en op lokaal niveau acteren. Fusies zijn dan ook uit den boze.
  • Regel dat samenwerkingen alleen op vrijwillige basis geschieden voor politiek niet gevoelige zaken (zoals administratie).

Samenvatting

De oprichting van Alliantie is de onvermijdelijke keuze van haar leden om de zorgen over de Nederlandse samenleving om te zetten in gerichte actie. Daarom ons motto:

De “staat van het land” is geen onwrikbaar en onveranderbaar gegeven. Het land bevindt zich op dit moment in een zelfgecreëerde crisis en is derhalve ook met de juiste inzichten en keuzes oplosbaar. Vanuit dit perspectief is het Beginselprogramma geschreven. Het aanleveren van een portfolio van inzichten, regels en oplossingen op een generiek/universeel niveau. Per beleidsgebied kan de toepassing van dit Beginselprogramma leiden tot meer korte en middellange-termijn oplossingen in de vorm van een Verkiezingsprogramma.

Voor een deel kan het Beginselprogramma worden gezien als een correctie op de ontwrichting van de samenleving als gevolg van onbeheerst neo-liberaal marktdenken. De bestaande ordening tussen Overheid, Markt en Burgermaatschappij is uit het lood geslagen en dient te worden hersteld.

Ook het Individualisme is doorgeschoten. De positieve kanten voor zelfontwikkeling en zelfactualisatie worden overschaduwd door een uitholling van de samenleving. Het herstel van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het gemeenschappelijke vanuit de verschillende rollen, het Personalisme, wordt door ons bepleit. Of populair geformuleerd: De maatschappij zijn wij en ben jij!

Alliantie heeft als grondbeginsel de keuze voor gemeenschapsdenken. Een overheid die zich meer terugtrekt op haar kerntaken en de samenleving reguleert en faciliteert laat meer ruimte aan de instituties in de samenleving. Geordende vrijheid en eigen verantwoordelijkheid leiden tot een sterkere samenleving.

Het landsbestuur/de politiek wordt gestuurd door principes van rechtvaardigheid, solidariteit en realisme. Een zekere bescheidenheid, pragmatisme en nuchterheid zijn leidend voor concrete en haalbare beleidsmaatregelen. Het gaat om de inhoud op basis van feiten gevolgd door een afweging van waarden en belangen.

Beleidskeuzes worden gebaseerd op politieke afwegingen tussen belangen, waarden en prioriteiten. Hierover dient het debat te gaan!

Bij de invoering van nieuw beleid moet de transitie van oud naar nieuw expliciet worden betrokken. Dat geldt ook voor de uitvoerbaarheid van nieuw beleid. Wij staan creatieve destructie voor: wat oud is maar werkt, kan in de nieuwe context ook plaats hebben.

Zelfbestuur: vrijheid van meningsuiting, godsdienst, vereniging en onderwijs zijn robuust te interpreteren.

Met rentmeesterschap bedoelen we een toekomstbestendige langere termijn beleidsvisie die recht doet aan de bestaande middelen en inrichtingskeuzes en ook duurzaam is. Verspilling dient te worden vermeden.

De overheid dient zich te focussen op haar kerntaken en bescheiden te zijn in haar ambities. Veel taken kunnen beter door de samenleving worden opgepakt. Wij bepleiten een herstel van de zuivere taakverdeling tussen gemeenschap, markt en overheid.

De uitvoering dient beter te worden georganiseerd. Het democratisch proces van belangenafweging en debat dient te worden gekoesterd. Tot slot dient de controlerende taak van de politiek dient te worden hersteld.

Slotconclusie

Als het functioneren van de publieke sector niet verbeterd wordt, dan is de kans groot dat goede ideeën voor alle denkbare politieke onderwerpen nooit in wetgeving belanden. En als ze dat al doen, dan zullen ze nooit goed uitgevoerd worden. De samenleving zal dan ook nooit de vruchten van deze goede ideeën plukken. Daarom is het voor Alliantie de hoogste prioriteit om de publieke sector beter te laten werken. Dat betekent een verbeterd democratisch proces, een betere rolverdeling tussen overheid, markt en gemeenschap en een verbeterde uitvoering van (kern)taken. We willen op inhoud met iedereen samenwerken die streeft naar eenzelfde verbetering van het functioneren van de publieke sector.

Alliantie streeft ook breder naar het weer opbloeien van gemeenschappen, maatschappelijke verbanden en het MKB. Daar willen we ruimte en ondersteuning voor geven zodat de overheid zich weer kan focussen op haar kerntaken en deze weer op correcte wijze kan uitvoeren. Als Nederlandse samenleving hebben we nu nog een goede uitgangspositie om een betere publieke sector én samenleving weer op te bouwen. Een goed opgeleide bevolking met nog altijd een hoge opkomst bij verkiezingen. Er is een breed gedragen wil om het heft weer in eigen hand te nemen. Daarom willen wij nu het voortouw nemen in deze noodzakelijke heropbouw.

 

Het kan wél.

Het heft weer in eigen handen